GOUDhartslag


Historie

In het lang in Europa de ronde doende raadselachtige verhaal van Helvetius (*), de lijfarts van de Prins van Oranje die op eerste Kerstdag van het jaar 1666 te 's-Gravenhage bezoek krijgt van een onbekende man die beweert van lood goud te kunnen maken, spreken de beelden voor zich...

Een inspirerend verhaal over inventiviteit, geld en het verlangen naar aardse rijkdom maar er is meer aan de hand. Helvetius zélf verandert innerlijk, in overdrachtelijke zin van 'lood in goud'.

De ontwikkeling die Helvetius in de 3 beschreven dagen doormaakt vormt het cement van de theatrale beelden van (G)oud en Nieuw.

De beelden zijn metafoor voor het -innerlijke- verhaal van Helvetius.

(*) Deze achtergrondgeschiedenis, (gebaseerd op het door Johann Friedrich Schweitzer Helvetius' in 1666 geschreven en in 1670 uitgegeven verslag der gebeurtenissen) wordt aan het einde van dit achtergronden hoofddstuk kort beschreven.

 

 

 

Helvetius

Aan de voorstelling ligt het door Helvetius opgetekende verslag ten grondslag(*) van wat zich in ’s Gravenhage, op eerste Kerstdag, in het jaar 1666 afspeelde. De alom gerespecteerd lijfarts van de Prins van Oranje, werd bezocht door een vreemdeling die beweerde van lood goud te kunnen maken… een alchemist!

 

Helvetius heeft een hartgrondige afkeer van alchemisten maar laat de vreemdeling, tegen zijn natuur in, toch binnen. Het is immers Kerstmis. De man toont hem 5 gouden munten en Helvetius ziet direct dat er van dit goud een zeldzaam diepe gloed afkomt. Zijn hart klopt in zijn keel. Op dat moment groeit zijn nieuwsgierigheid en denkt hij; "stél je voor dat het waar is..." De man toont hem een steen die Helvetius maar kort in handen mag houden. De man vertelt dat er slechts een splintertje van de steen bij het in een kroes gesmolten lood toegevoegd dient te worden. Op dat moment peutert Helvetius, als een klein kind, snel een klein stukje van de steen af en stopt het heimelijk weg. Direct na het vertrek van de man (die beloofd heeft de volgende dag terug te komen) speelt ongeduld en vlammende nieuwsgierigheid Helvetius parten, hij wacht dan ook geen minuut, doét de proef, smelt het lood in een kroes, haalt het stukje steen uit zijn binnenzak en voegt het bij het lood... een enorme klap volgt! De hele boel ontploft! Het duizelt Helvetius en hij is door de enorme klap van slag... en daarbij goud is het niet geworden. De man komt de volgende dag terug en Helvetius stelt voor een wandeling te maken. Tijdens de wandeling raakt Helvetius diep onder de indruk van de rust die de man uitstraalt, zijn geweten knaagt en hij kan niet anders dan zijn daad van de vorige dag opbiechten. Helvetius schaamt zich voor zijn ongeduld, daarbij is het bijna zijn dood geworden. De man zegt hem, dat het stukje steen omwikkeld moet worden met bijenwas..."Bijenwas, bijen, was, bij-één-was" prevelt Helvetius. Voor de man afscheid neemt, haalt hij de steen uit zijn binnenzak en geeft daarvan een klein stukje aan Helvetius en zegt "Ik kom morgen terug". Helvetius blijft beduusd maar dankbaar achter en staart naar het stukje steen in zijn linkerhand...Vol verwachting en ontzag voor de man zit Helvetius de 3e dag te wachten... de man komt niet opdagen. Ook 's middags niet en aan het begin van de avond gaat zijn vrouw, inmiddels op de hoogte van de hele situatie, naar haar man en zegt "Laten we de proef doen. Je ziet het, de man komt tóch niet meer." Helvetius laat zich niet meevoeren door begeerte en is niet te verleiden, hij wendt danook zijn hoofd af en wacht. De man komt niet. De vrouw gaat voor de 3e keer naar haar man en haalt hem dit keer over. De zoon maakt het vuur aan, Helvetius pakt de kroes met de juiste hoeveelheid lood en de vrouw omwikkelt de kleine steen met bijenwas. Helvetius voegt het bij het gesmolten lood en onder hun ogen zien ze het lood veranderen in goud. Die nacht vat Helvetius de slaap niet. Voordat Helvetius de volgende dag naar de Prins van Oranje gaat, laat hij het stuk goud onderzoeken door de Haagsche goudsmit Prechtel. Deze bevestigt dat het niet om natuurlijk goud gaat maar om artificieel goud. Hij zegt dat het het mooiste goud is dat hij ooit onder ogen kreeg. De Prins verspreidt het nieuws in kleine kring, doch binnen de kortste keren praat iedereen in het Haagsche erover; maar ook in Nederland én in de rest van Europa! Overal vandaan komt men naar 's Gravenhage om het stuk goud te aanschouwen. Spinoza heeft het goud bewonderd en in geschriften over de gebeurtenis geschreven.

 

(*) The Golden Calf, Which the World Adores, and Desires, by John Frederick Helvetius, 1670